Met Niveau C verdiep je je kennis en leer je zelfstandiger omgaan met paarden, materialen en rijtechnieken. Je krijgt meer inzicht in verzorging, training en de bouw van het paard, zodat je jouw ruitervaardigheden verder kunt ontwikkelen.
Lesstof Niveau C
Anatomie & exterieur (basis)
Wanneer je meer rijdt, is het nuttig de bouw van het paard beter te kennen.
Lichaamsdelen
Het paardenlichaam kan worden onderverdeeld in drie delen:
- Hoofd: snuit, oren, voorhoofd, ogen, neusgaten, wangen, kruin, kingroeve, keeluitsnijding.
- Romp en nek: hals, onderhals, schouder, schoft, rug, lendenen (links en rechts), flanken (links en rechts), buik, borst, bil, dij, staartwortel en staart.
- Voorbenen: elleboog, onderarm, knie, pijp, kogel, kroonrand en hoef.
- Achterbenen: heup, schenkel, hak, pijp, koot, kroonrand en hoef.
Deze delen zijn belangrijk bij het controleren op verwondingen en bij hoofdstel- en zadelpassing.

Illustratie/foto van een paard met benamingen van alle lichaamsdelen.
Conformatie en functie
De conformatie van een paard is de bouw en structuur van het lichaam en heeft veel invloed op wat een paard kan en hoe belastbaar het is. Een lange, schuine schouder zorgt bijvoorbeeld voor meer schoudervrijheid, terwijl een korte rechte schouder een kortere pas oplevert. Ook de stand van de hoeven speelt een rol in de vering en beweging. We kijken naar correcte beenstanden, waarbij de benen recht onder het lichaam staan, en naar afwijkingen zoals koehakkig of bokbenig. Door het exterieur te begrijpen, kun je beter inschatten voor welke discipline een paard geschikt is.

Foto’s van beenstanden: correcte stand, koehakkig en bokbenig. Eventueel bouw springpaard vs. dressuurpaard.
Skelet en spieren
Het paardenlichaam telt 205 botten. De wervelkolom, die bestaat uit de halswervels, borstwervels, lendenwervels en het sacrum; deze vormen het dragende frame. Pezen verbinden spieren met bot; ligamenten verbinden botten onderling. De belangrijkste spieren zijn de rug- en buikspieren, die het gewicht van de ruiter dragen, de bilspieren voor kracht en de beenspieren voor beweging. Door deze spieren goed te trainen, presteert het paard beter en is de kans op blessures kleiner.

Illustratie van het skelet en de spieren van het paard.
Gangen
Naast de stap, draf en galop bestaan variaties zoals middendraf (paard neemt grotere passen en gaat sneller), verzamelde draf (korte, verheven passen) en uitgestrekte draf. Je leert hoe je deze verschillen voelt en welke hulpen je gebruikt.

Foto’s of filmpjes van de verschillende gangen (stap, draf, galop en variaties).
Lichtrijden & draftechniek
Een vloeiende draf is prettig voor paard en ruiter.
Lichtrijden
Bij lichtrijden sta je op uit het zadel wanneer het buitenvoorbeen naar voren gaat en ga je zitten wanneer het binnenvoorbeen naar voren gaat. Hierdoor verlicht je de rug en bouw je ritmegevoel op. Een truc om het juiste been te vinden is “sta-op-wanneer-je-op-de-buitenkant-zit” en kijken naar het buitenvoorbeen.

VIDEO: Filmpje van bovenaf gefilmd voor ‘op het juiste been zitten’.
Doorzitten
Doorzitten is belangrijk in de dressuur; dit vereist enige soepelheid om te voorkomen dat je op de rug van je paard stuitert. Hoe meer je jezelf met je beenspieren en knieën vastknijpt, hoe lastiger het wordt om de bewegingen van het paard te volgen. Juist door losjes op je zitbeenknobbels te zitten en te proberen de drafbewegingen op te vangen door je heupen en je onderrug soepel mee te veren wordt het makkelijker. Rijd zonder stijgbeugels om balans te vinden; houd je buikspieren aangespannen en je onderrug soepel.

VIDEO: Filmpje van doorzitten.
Verlichte zit en balans
Voor het springen gebruik je de verlichte zit. Hierbij steun je op je knieën en enkels met je heupen iets naar achteren. Hierdoor hou je het gewicht van de rug van het paard af wanneer hij over de hindernis gaat. Je leert je handen naar voren te brengen om mee te geven, terwijl je balans houdt over je midden.
Overgangen en figuren
Oefen overgangen tussen stap, draf en halt. Rijd slangenvoltes, gebroken lijnen en voltes in draf om stuurtechniek en ritmegevoel te ontwikkelen. Focus op gelijkmatige passen en een constante aanleuning; vermijd trekken aan de teugels.
Eenvoudige rijfiguren
Met meer controle kun je variatie in je training brengen.
Slangenvoltes en acht-figuren
Slangenvoltes bestaan uit bogen die elkaar raken; begin met drie bogen over de lengte van de rijbaan. Wissel bij elke boog de stelling en buiging. Acht-figuren (twee voltes die elkaar raken) helpen bij het soepel wisselen van hand.

Illustratie van een rijbaan met getekende slangenvolte en acht-figuur.
Gebroken lijnen en diagonalen
Een gebroken lijn bestaat uit twee rechte lijnen met een knik; rijd van de hoek naar X en terug naar de volgende hoek. Hierdoor oefen je nauwkeurig sturen en overgang naar een andere lijn. Diagonalen worden gebruikt om van hand te veranderen; zorg dat je bij de juiste letter de hoek ingaat.

Illustratie van gebroken lijn en diagonaal in de rijbaan.
Voltes verkleinen en vergroten
Start met een grote volte van 20 meter, verklein geleidelijk naar 10 meter en vergroot dan weer. Hiermee ontwikkel je controle over binnenteugel en buitenteugel en leert het paard zijn lichaam buigen.
Combinaties
Je kunt figuren combineren: een slangenvolte gevolgd door een gebroken lijn, of een acht-figuur met overgangen naar stap in het midden. Variatie houdt het paard attent en voorkomt verveling.
Omgaan met paarden – verdieping
Nu je zelfstandiger wordt, leer je meer verantwoordelijkheden.
Paard halen en wegbrengen
Wanneer je je paard uit de wei haalt, neem je halster en touw mee. Benader het paard kalm, doe het halster om en begeleid het door de poort; sluit de poort direct achter je om ontsnapping van andere paarden te voorkomen. Zet het paard vast op een poetsplaats met een veiligheidspaal of -ring; gebruik een knoop die je gemakkelijk los kunt maken in noodgevallen (zie hieronder).
Knopen en vastzetten
Leer verschillende knopen: de veiligheidsknoop en de paardenknoop. Deze knopen moeten altijd gebruikt worden wanneer je een paard vastzet, voor de veiligheid. Plaats het halstertouw op borsthoogte zodat het paard zijn hoofd kan bewegen maar niet onder het touw kan komen. Gebruik nooit een hoofdstel om een paard vast te zetten (risico op mondbeschadiging).

Foto’s van de veiligheidsknoop en de paardenknoop (stap-voor-stap).
Belonen en corrigeren
Herken momenten waarop beloning op zijn plaats is: ontspannen kauwen, hoofd laten zakken, correcte reactie op een hulp. Gebruik stem en aanraking als beloning. Corrigeer onmiddellijk, duidelijk en rechtvaardig; na de correctie ga je terug naar ontspanning.
Omgaan met gedrag
Leer omgaan met gedragingen zoals knabbelen, bijten of trappen. Zoek naar de oorzaak: pijn, angst of verveling. Stel grenzen door het paard van je weg te laten bewegen of door je stem te gebruiken. Beloon direct zodra het gewenste gedrag optreedt.
Nederlandse paardenrassen
In dit hoofdstuk leer je over de diversiteit aan paardenrassen.
Bekende Nederlandse rassen
- Fries: elegant zwart paard met lange manen, bekend om zijn hoge knieën en rustige karakter; populair in dressuur en mennen.
- KWPN: sportpaard dat wereldwijd succesvol is in dressuur en springen; modern type met lange benen en atletisch vermogen.
- Gelderlander: iets zwaarder gebouwd maar veelzijdig; geschikt voor recreatie, mennen en lichte sport.
- Groninger en andere zeldzame rassen: robuust, kalm en geschikt voor landbouw en mennen.

Foto’s van elk Nederlands ras: Fries, KWPN, Gelderlander, Groninger.
Pony’s
- Shetlandpony: klein, sterk en intelligent; ideaal voor kinderen.
- Welshpony: lichte, elegante pony met goede beweging; geschikt voor sport en recreatie.
- Fjord: herkenbaar aan zijn wildkleur en rechtopstaande manen; sterk en betrouwbaar.

Foto’s van Shetlandpony, Welshpony en Fjord.
Bekende Buitenlandse rassen
- Haflinger (Oostenrijk): blonde manen, werkwillig, vaak gebruikt voor recreatie. De Haflinger is een pony vanwege zijn schofthoogte en bouw.
- Andalusiër (Spanje): barok type met lange manen; geschikt voor klassieke dressuur.
- IJslander: klein maar krachtig, met extra gangen zoals tölt en telgang. De IJslander is een pony vanwege zijn schofthoogte en bouw.

Foto’s van Haflinger, Andalusiër en IJslander.
Gebruik en temperament
Ieder ras heeft specifieke kenmerken: temperament (vurig of koel), gebruiksdoel (sport, recreatie, mennen), onderhoud (hoefbeslag, voeding). Deze kennis helpt bij het kiezen van een paard of het begrijpen waarom een bepaald dier op een bepaalde manier reageert.
Afronden Niveau C
Heb je alle onderdelen van Niveau C doorgenomen? Dan kun je bij je instructeur een examen aanvragen. Dit examen is volledig online en bestaat uit 15 tot 20 meerkeuzevragen. Het examen wordt ingepland door je instructeur. Wanneer je slaagt, ontvang je een stempel in je Ruiterbond Nederland app als bewijs van jouw voortgang.